één generatie. Wanneer men de plotselinge groei van steden in Noord-Amerika buiten beschouwing laat is het een wonder.
Maar Tel Aviv is een wonder. Niet alleen door de enorme uitgestrektheid en fantastische groei van de bevolking (nu ruim 230.000 inwoners), maar door de wijze waarop een volk in staat is geweest om in één generatie te groeien van immigranten tot burgers van een eigen staat.
Nog veel meer dan in Jeruzalem blijkt dat in Tel Aviv, waar het Joodse accent ligt op alles, op de industrie (onze industrie en „dat maken wij ook”, zegt zowel de portier als de directeur) — op het cultureel leven — hier woont het orkest en hier spelen Kabima en Ohel, de grote toneelgezelschappen. Maar vooral door de sfeer van het leven van al deze mensen, uit vele landen en langs vele wegen naar dit land gekomen, die hier een onmiskenbare eenheid hebben geschapen.
Wat het voor een Jood die nog maar enige binding heeft met zijn volk en zijn toekomst betekent om in Tel Aviv in een volkomen Joodse omgeving te zijn, in het Midden-Oosten, in het eigen land zonder ook maar iets van het comfort dat het Westen biedt te moeten missen, is niet te beschrijven. „De verbazing over de Joodse melkboer, Joodse postbode en de Joodse stationschef verdwijnt na een dag, de vreugde om hen en om alles hier blijft en wordt dieper,” zei mij iemand een van de eerste dagen in Tel Aviv.
De drukte op de boulevards is die van Brussel en Parijs zodat je de indruk hebt dat alle inwoners van deze stad voortdurend op straat zijn.
Wanneer er veel mensen op straat zijn spreekt het
86