geblazen tot die glanzend en strakgespannen hemzelf en den toeschouwer met bevrediging vervulde. Hij was de juiste man op de juiste plaats: chef de bureau op een solied en algemeen geacht Amsterdams ch makelaarskantoor.
Bovendien en tegelijkertijd had zijn stamboom in hem de schoonst mogelijke ontluiking gevonden. Drie generaties van Van Dogterens hadden voor Amster-damsche makelaarskantoren de vrachtjes gekruid en kwitanties geïnd. Nooit hadden ze zich afgegeven met onzuivere praktijken, nooit de post van het eene kantoor getoond aan het andere, nooit zich een tientje in de hand laten drukken voor het vergeten van een boodschap der concurrentie. Hun eenige tekortkoming, indien men dit wel een tekortkoming kan noemen, was hun voorkeur voor een serie borrels-met-een-kop aan de tapkast genoten, boven het toegemeten glaasje, dat een enkele joviale werkgever bijwijlen presenteerde. Maar ook dit laatste namen ze met erkentelijkheid, ze affronteerden niemand. Zij kenden hun plaats en verbleven zonder morren binnen de grenzen van hun lot.
In P. van Dogteren p.p. Dufay & Zoon in koffie, rees nu deze langbeproefde, welgefermenteerde kruiers-verantwoordelijkheid op een hooger plan. Niet langer behoefde ze te verblijven buiten de kantoorbalustrade, in de vierde generatie wachtte haar een eervolle plaats binnen de omheining van het makelaarsbedrijf. Daar vervulde Van Dogteren zijn ambt, voldaan en zonder zelfverheffing. Het paste bij hem en hij paste bij het ambt. Het eischte nauwkeurigheid, plichtsbetrachting en een daaruit gevoed autoriteitsgevoel, dat toch gansch
100