gebracht, vloog overeind, schokkend onder dien feilen stomp in haar bewustzijn. Eén enkel o ogenblik zag ze den man, den man zelf, een stomme ziel, die toch plotseling in haar ooren gilde als een drenkeling die voor het laatst bovenkomt.
Maar het moment daarna liep ze al om een emmer en een dweil.
Het Oogenblik 10*
145