menschheid haar heil verwacht. Een gezond man, begaafd met een zekere dosis koppigheid en zelfbewustzijn, kon onder haar leiding zeker zijn van een eerlijk verdiende boterham met bijlagen. Koppigheid nu was Van Dogteren's goed-Hollandsch erfdeel. Had hij als pril kruiersmaatje ook de fijne knepen van het vak nimmer vermogen te leeren, ■— hoe stuntelig hij zijn koffers langs de traphoeken wentelde, hoe angstwekkend hij placht te manoeuvreeren bij het afhouden van bengelende kisten langs de puien der koopmanshuizen, één rasechte kruierseigenschap had hij toch bezeten: hij gaf niet op, zelfs als een vrachtje onloochenbaar te zwaar of een kar te hoog geladen was. Zijn vader vóór aan het touw en hijzelf achter den duwboom, overwonnen ze de steilste Amsterdamsche brughelling, al of niet met hulp van toeschietende voorbijgangers. Eerst als ze dalwaarts midden op de gracht waren aangeland, wischten ze zich het zweet weg met den gemeenschappelijken rooden zakdoek, om daarna de volgende krachtsinspanning aan de volgende brug te ondernemen. Zijn koppigheid was stellig familiair-erfelijk en zijn zelfbewustzijn had zich zoo juist op zijn onverwachtst en doeltreffendst gemanifesteerd, de beide voorwaarden voor een rustig succes waren aanwezig.
Van Dogteren volgde dus de ernergieke leiding der opgewekte godin even zeker en vol vertrouwen als hij zich vroeger had geschikt naar den natuurlijken gang van de eenvoudige feiten zijn levens. Wel kwam hij des avonds niet meer zoo uitgerust naar huis als in de dagen zijner administratieve werkzaamheden, maar
111