doemden tal van onverwachte mogelijkheden verlokkend op. Eén enkele mogelijkheid echter vervaagde tot ijdele illusie: nooit zou hij met deze merkwaardig liefdebereid gevonden jonge vrouw de woning betrekken, die hij in gedachten teederlijk voor haar had ingericht, •— de glimmend gewreven, goed doorwarmde etagewoning van den kantoorbediende-met-een-vaste-positie, waar het op gezette tijden naar koffie o£ gebraden rollade geurt en waar men in een behaaglijk tweepersoons de lange winternachten ingaat.
Toen Van Dogteren, alleen gebleven, de gehaakte antimacassars van zijn canapé gladstreek en rechthing, was de gladde zeepbel, waarin zijn toekomstbeelden zich zoo duidelijk hadden weerspiegeld, reeds voorgoed uiteengespat. Zoo blies het Noodlot vele bellen uiteen in den tijd toen de negentiende-eeuwer werd herboren tot den Mensch der twintigste eeuw, Meester van zijn keuze en zijn daad. Maar wat kon Van Dogteren hiervan weten? Hij wist alleen, dat hij zich onverwachts verjongd voelde staan voor een nieuwe en geheel onbekende Toekomst. Dien avond kocht hij zich een half dozijn stijve dubbele boorden van extravagante hoogte, latest fashion voor de rechtopgaande mannelijke mensch-heid dier tijden, benevens een wandelstok, die aangenaam doorboog onder zijn gewicht.
Zoo verging de eerste dag van Van Dogteren's hergeboorte in het tijdperk der Energie. Nu was de Energie van den aanvang der twintigste eeuw, die vriendelijk-stralende godin der vlijtigen, een zeer gemoedelijk personnage, geheel verschillend van den ijzigen god der Efficiency en Rationalisatie, waarvan de huidige
110