aangenaam bleven wasschen, zeide bij langzaam en gewichtig tegen dien ander tegenover hem: „Ja, .—-ja, — ja, .— zoo is het maar.”
Daarop veranderde er iets, de heer in den spiegel knikte niet langer, maar toonde zich gereserveerd. Hij drukte de lippen opeen en scheen verbaasd dat Van Dogteren hem had toegesproken. Om zijn mondhoeken speelde zoowaar een tikje van de welwillende ironie, waarmee Dufay Junior zijn procuratiehouder placht te bejegenen. En wijl Van Dogteren den spiegelheer zoo goed gezind was, hinderde hem de ironie van die zijde. Hij was zich bewust dat hem op dezen dag geen ironie maar wel waardeering toekwam, hij voelde zich onmiskenbaar gegroeid in de erkenning van anderen. En dus richtte hij zich hooger op voor den spiegel, maar nu veranderde de heer plotseling in een stijf cabinet-portret.
Verward en teleurgesteld wendde Van Dogteren zich af. Op hetzelfde oogenblik bemerkte hij, dat zijn handen smetteloos waren als die van den chirurg voor een groote operatie, dat hij op volkomen onnutte wijze zichzelf had staan toespreken in den spiegel, ja, onverklaarbaar had staan fantaseeren en dat hij nu zeer stellig verlangde naar zijn borrel en den daarop volgenden maaltijd.
Maar de schokkende gebeurtenissen van dezen dag des oordeels waren nog niet ten einde. Toen het blonde dochtertje der hospita de kruik Bols en het fleschje elixir binnenbracht op het smetteloos blankgepoetste blaadje, en haar handjes voorzichtig het mengsel van zijn bittertje gingen samenstellen, bleef van Dogteren's
108