den vleesche zichzelve. Het was het tweede visoen dien dag, en voor een eenvoudig Protestantsch Amsterdammer is zelfs een enkel visioen al meer dan genoeg. De nieuwere psychologie had zich nog niet intensief beziggehouden met de verschijnselen, die een wedergeboorte plegen te vergezellen; ook was de po-pularisatie dier aantrekkelijke wetenschap nog niet doorgedrongen tot de kolommen van Tante Nieuws, die het in het algemeen niet oirbaar achtte haar lezers het leven moeilijker te maken dan het van nature reeds is. Van Dogteren kon dus niet weten dat hij op een keerpunt van zijn ontwikkeling stond. Wel had hij zich dien geheelen dag wonderlijk verjeugdigd gevoeld, vanaf het oogenblik toen hij zijn naam boven de Grootboekrekening van Dufay Junior had zien staan, zijn eigen naam: P. van Dogteren, die tot dusver verborgen was gebleven binnen de post „Salarissen” van de Onkostenrekening, maar hij had zich geen rekenschap gegeven van wat dit gevoel (de warme en lichte exaltatie, die het meest naderde tot de opgewektheid na een ongewoon tweede bittertje) wel had te beteekenen. Nu voor den spiegel, terwijl hij de rug van zijn hand verstrooid en langdurig inzeepte, zag hij zijn spiegelbeeld in de oogen en zag opeens, dat een gezet burgerheer van minder dan middelbaren leeftijd hem op vertrouwenwekkende wijze toeknikte, eenige malen zeer nadrukkelijk toeknikte. Hij voelde sympathie voor het welgevulde gezicht met den rossigen knevel en de lichtblauwe, ietwat bijziend toegeknepen oogen, die geduldig wachtten tot hij hen herkende. En terwijl hij een nieuwe zeeplaag wreef over zijn handen, die zich
107