van tractaatjes. Die verkoopt hij om te leven, het is dus geestelijk voedsel waarvan hij leeft en een eerbaar bedrijf. Toch schaamt hij zich om iets te doen, wat men kwaadwillig venten zou kunnen noemen, daarom deed hij laatst of hij mij niet zag, toen ik hem aantrof op het terrein van zijn zendingswerk.
Hij heet natuurlijk niet Pedertje, maar Reitsema van Gulik. De gemeentesecretaris, die vlak naast den burgemeester zit, wanneer die den ambtsketen draagt, heet ook Reitsema van Gulik. Het is een goede naam en Pedertje zal dien niet te schande maken.
Maar hij is toch Pedertje. Ik wist dadelijk, dat zoo zijn echte naam was, even maar had ik gedacht Peertje. Hij heeft een gaaf, glad, rimpelloos schedeltje, een beetje uitgerekt naar de breedte maar toch bol, roode wangetjes, die meer lang zijn dan breed en een spits kinnetje, dat uitloopt in het steeltje van zijn hals. Dat zou Peertje kunnen zijn, maar hij is meer.
Hij heeft ook een achterhoofdje met wit haar, dat in een puntje staat op zijn gummiboord. Hij heeft een gladgeborstelde gekleede jas, zoo dicht mogelijk bij zwart. En een zwarte actentasch met geestelijken inhoud waarbij hij ook maar zijn boterhammen wegsteekt des morgens. Dus heet hij niet Peertje maar Pedertje, omdat dit netter klinkt.
Juffrouw de Groot zorgt voor zijn kleeren. Zijn gummiboord en zijn schoenen verzorgt hij zelf. Want het kwartje schoenengeld zou te zwaar vallen iedere week omdat hij zich in een gesticht voor oude heeren wil sparen.
Maar juffrouw de Groot vergeeft hem het kwartje.
3o