Amsterdam., 24 Januari 1932.
Aan den Heer S. Lavery Uitgever LEIDEN.
Amice,
Doe me een genoegen en lees dit dagboek eens door. Als je er iets in ziet zou ik je willen vragen het uit te geven.
Misschien vind je dit een zonderlinge gedachte van me. Gelukkig ken je me, zoodat je wel niet zult veronderstellen, dat het mijn doel is om te pronken met een simpele verovering. Eerder voel ik me schuldig tegenover het arme kind, dat dit schreef en beproef ik nu aan haar „eenige erfenis” iets goed te maken van wat ik heb bedorven.
Ik heb namelijk dit geval glad verkeerd behandeld. Niet de longen, dat spreekt vanzelf. Wat haar kwaal betreft was het een zeer alledaagsch geval. Ik zou haar dan ook keurig hebben opgeknapt als ze niet zoo'n moeilijk zieltje was geweest en als ik in den tijd, dat ik haar behandelde niet de pretentie had gehad ook aan de zielen van mijn patiënten te willen dokteren.
Toen ik haar voor het eerst zag, merkte ik direct, dat ze minstens even erg leed aan de wereld als aan t.b.c. Ze zag er uit, (geestelijk dan altijd) als een ondervoede
io3