ik ben zoo moe, zoo moe en ik moet nog zooveel doen. Ik moet dit alles nog opschrijven voor jou, ik moet ook de portretten en de souvenirs verbranden, dat moet, dat hoort zoo, en ik moet een briefje aan juffrouw de Groot schrijven, dat ze mijn meubels mag hebben. Dan moet ik dit dagboek inpakken, ik zal het met lak zegelen, en ik zal het in je brievenbus steken als ik wegga. Maar ik moet eerst nog opschrijven, dat ik je excuus vraag. Grappig. Vroeger moest ik bij moeder excuus vragen als ik stout was geweest, maar gewoonlijk vond ik mezelf niet stout. En nu moet ik bij jou excuus vragen en nu vind ik weer niet, dat ik iets verkeerds heb gedaan. Maar ik vraag toch excuus, dat zul je natuurlijk van me verwachten nu ik je aan het schrikken heb gemaakt, je vond het zeker wel een lamme historie. Dus nu zeg ik: het spijt me, dat ik je gehinderd heb. God, wat schaam ik me voor je. Het brandt en gloeit, dat wil gebluscht worden, ik zal weggaan door de deur en dan in het water.
Natuurlijk kan ik ook weggaan door het raam. Dat zie ik nu pas. Het raam is er ook.
Dat ik nog altijd moet verder schrijven. Wat is er dan toch nog, dat geschreven wil worden, dat nog schrijft met mijn hand?
Ja. Dit. Je bent niet, die ik verwachtte. Je bent niet groot. Toen ik je voor het eerst zag, dacht ik aan Jezus. Jezus van toen ik een kind was. Je had ook oogen, die opengingen of je alles begreep en alles wist en liefhad en opnam en uit iets laags het hooge maakte. Toen ik ziek in bed lag, waren je oogen helder en diep boven me. Waarom werden je oogen opeens zoo scherp en op
100