Roos ze achtergelaten. (Roos had alles voor Ruth meegenomen bij haar bezoek aan haar broer en familie met de bedoeling om Ruth zelf in Limburg op te zoeken en haar haar ‘bezittingen’ te brengen, maar de vogel bleek toen al gevlogen). Ze worden binnenkort naar je opgestuurd. Ik vind het reuze vervelend maar wat moet ik er aan doen? (Ruth was - zie vorige brieven - op eigen initiatief en volkomen onverwacht voor ons naar Amstelveen vertrokken). Wat was dat een gekke dag vandaag.
(6 juni 1944, de invasie van de westelijk geallieerden, ‘Overlord’, in Noord-Frankrijk tussen Cherbourg en Caen onder generaal Eisenhower). Allerlei gemengde gevoelens en gedachten trokken door me heen die ik zelf niet thuis kon brengen. Maar daar straks over. (...) Kind, je moet dat niet doen, langs Ags raam lopen. Ze schreef er zowat hetzelfde over als jij. En ook niet met Ri daar over straat lopen. Zus, wees toch niet zo ontzettend stom. Dat kan niet goed gaan. (...) Erik wordt erg verwend en een echte dictator. Hij is schattig, maar veel te verwend. Net als Ruurdje toen. Die kleine zonneboy, wat zou ik hem graag eens knuffelen. Marijke wordt zo groot, zo echt meisje, helemaal geen kleuter meer. Toch wel jammer. Ik ben dol op haar en meer van binnen dan op Folkert wat wederzijds is. Ze scheldt wel zo af en toe ‘rot Els’ als ik streng ben, maar ze gaf me laatst vanzelf een zoen en ze komt vaak bij me zo een beetje aanhalig. Zusje, stuur je (verjaardags)brief als het nog kan en houd je taai, engel van mijn hart. Ik schrijf gauw weer.
Duizend zoenen van je Schnuppi.
9 juni 1944 Lieverd,
Ik heb die brief aan Annie meegegeven, die doet hem op de bus, want ik wilde niet datje morgen niks van me had. Als je die brief krijgt heb ik hem jezelf gegeven of mijn plan is mislukt waar ik voor 99% op reken. Dan moetje maar lachen om mijn optimisme en het achteraf niet akelig vinden. De Hufter was er net en toen ik het zei van Jo (Jo was op 24 mei met 700 anderen vanuit het concentratiekamp Vught naar het concentratiekamp Dachau op transport gegaan) zei hij: “Ik wist het wel dat Vught