De dreigbrief trof als een donderslag uit heldere hemel. Nadat ik de eerste shock enigszins had verwerkt, sleepte ik mijn zus mee naar de huiskamer, naar Roos en Rudolf. Die toonden zich na lezing van het geschrift al even ontdaan. Ruth woonde, werkte, leefde bij Els Daniels - alias Jenny - sinds 16 mei 1943, de dag waarop wij samen onze woning in Amsterdam-Zuid voorgoed hadden verlaten en in Den Haag - ieder op een ander adres - waren ondergedoken. In die tijd had Jenny mij twee keer, toen ik letterlijk op straat stond, twee maanden onderdak verschaft, de eerste keer al op 22 mei, met als enige compensatie de onkosten voor mijn eten. Onze levendige kritiek op haar eigenaardigheden als we onder elkaar waren, deed niets af aan onze waardering voor haar houding tegenover ons persoonlijk. In weerwil van de kilte die ze om zich heen verbreidde, en van haar in onze ogen misantropische levensvisie waren we op elkaar gesteld. Ze had Ruth van het begin af gerespecteerd en huishouding en kinderen hoe langer hoe meer aan haar overgelaten. En nu viel met één briefje alles in duigen, erger nog, was Ruth opnieuw vogelvrij.
Roos, zakelijk als altijd, stelde voor dat Ruth meteen de volgende dag, met alleen de noodzakelijke handbagage, bij ons zou komen. Zij zou dan Agaath bellen om haar te vragen of ze stante pede een noodadres voor Ruth had.
Het werd Nel en Leen. Roos bood aan om Ruth in Amstelveen af te leveren. Een pak van ons hart. Door een speling van de natuur - Roos’ haarkleur was een tint donkerder dan die van Ruth - vormden ze een onopvallend stel. Met een zwaar hart, blij dat ik amper tijd had om te denken, bleef ik die woensdag 22 maart met de zorg voor Rudolf en de kinderen alleen achter.
Brief van mij aan Ruth:
Donderdagavond Lieve schat,
Broodjeskauwend lig ik op bed aan je te pennen. Het is pas 23 uur, dus nog vroeg. De broodjes ontdekte ik pas vanavond toen ik het zeil voor de dag haalde. Ze zijn uitgedroogd en zepig en ik huilde haast toen ik ze zag, zo vreselijk vond ik de gedachte dat