Elke dag begint heel koud, want dan is er nog geen hout, de was moet opgehangen en gespoeld, zodat je wel je vingers voelt.
Maar dan, o heerlijkheid, o deugd, komt het wassen van de jeugd.
De boterhammen fijn gesmeerd, in recordtempo verteerd.
Bedden luchten, weer opmaken, de gewone etenszaken.
Dan het uurtje in mijn dromen op het huusje zonder zomen.
In gedachten Rootje op het paadje, een brief van lieve kleine Gaathje.
Een man met teedre armen vast, dat is wat dan wel bij me past.
Toch moet er afgewassen worden, opgeborgen lepels, borden.
Erik op het potje gauw, tot hij ziet een beetje blauw.
De was op de kachel om te trekken, de pan naar buiten die wil lekken. Langzaam aan maar weer de kinderen, want dat wordt zo gauw weer hinderen.
Vlug wat brood in hun mond gestopt, uitgekleed, toch heel beknopt.
En eindelijk het lichtje van de dag, als ik naar de bosrand mag.
Want daar trekt zoveel mij aan, naar Moe en Geesje wil ik gaan, een praatje nog bij Jantje maken en gauw afdoen onze melkzaken.