wangedrag. Geen levende ziel meer grootmoedig. Ik bad, bad God om verlossing, terwijl ik vluchtte, rende om weer bij mijn lief te komen en haar alles te vertellen. Ze lag nog thuis, haar ogen gesloten terwijl ze naar mij luisterde. “Ik dacht het wel, ” fluisterde ze angstig, “het komt ook hier. ”Maar ik lachte die woorden weg, aaide over haar gezicht en speelde tussendoor met de kinderen. Niet lang, Puppi, ik dwaas. Ja, het kwam, het stortte zich ook over ons huis, het beroofde mij van haar en het bracht ellende voor ons allen. Het heette óók oorlog, Puppi. Het onheil was toch gekomen en ik schrok er zo van dat ik wegijlde om de rest van de mensheid te redden voor deze ramp. En zo sta ik hier voor jullie met mijn verhaal van liefde en verdriet. Ik wilde tegen jullie zeggen: “Vlucht, vlucht,” maar ik kan het niet, ik weet geen plek meer waar het onheil niet al spookt. ”
Puppi had aldoor geluisterd en Gert had gekeken, meer wist hij niet te doen. “Koning”, zei Puppi, “kom bij óns, in ons hol onder de grond. Daar kan geen oorlog de weg heen vinden, daar is geen plaats voor slechtheid en valsheid”. “Dat zou ik wel willen, Puppi, maar ik kan niet, ik heb geen rust, ik moet verder, ik moet kijken naar dit wilde spel, kijken en pogen ondanks alles vrede te stichten, waar het nog niet te laat is. ”Hij strekte zijn hand uit, legde die op Puppi’s hoofd. “Zal je niet vergeten, meisje, wat ik je heb verteld, het kwaad komt, het komt ook bij jou, ook ónder de grond, net zo als in mijn goed vergrendeld huis. Hier, lief klein meisje, heb je een ring van mijn schoonheid, ze gaf hem aan mij op haar sterfbed voor haar bij wie ik voor het eerst weer mijn hart zou uitstorten. ” *34
Brief van Agaath aan mij:Amstelveen, 28 november 1944 Meisje,
Ik schrijf omdat ik behoefte heb jou te schrijven, omdat het een rustig uurtje is in m’n huis, omdat ik wat met je kletsen wil. Ik heb me een voorstelling gemaakt van jou daar in je boschhut. Weetje, ik benijd je een beetje omdat jij ergens woont in een