En toch leefden wij

Titel
En toch leefden wij

Jaar
2015

Pagina's
235



Winter. Nog even jong en welgeschapen als verleden jaar en toch droeviger, minder opgewekt. Puppi vergat de tijd van wachten, de tijd van eindeloos verlangen. Met haar kleine hand zachtjes over zijn cape strelend vroeg ze hem naar zijn verdriet, zijn droefenis. “Puppi," zei hij vriendelijk, “jij mag mij wel vragen. Je hebt iets van me te goed, je hebt op mij gewacht, je houdt van me. Luister goed, Puppi. Elk jaar om dezelfde tijd begin ik te trekken. ‘Mijngang om de aarde’noem ik het. Overal blijf ik even staan, kijk ik naar binnen en wordt mij meestal gevraagd om te gaan zitten. Dan neem ik een stoel en ga bij de tafel zitten en luister naar de belevenissen van mijn vrienden en dan voel ik, dat ik leef om jullie allemaal zon, sneeuw en ijs te brengen.

’s Zomers ben ik ver weg van jou, dan bewandel ik de andere kant van de aarde. En daarginds heb ik haar ook gevonden, mijn prinses, mijn eigen, kleine schoonheid. Ik voelde allang dat ze daar moest zitten en ik ging haar zoeken en ik vond haar. Zittend bij de kachel, beide handen diep in haar haar omdat ze mij zocht. Ik nam haar mee, zij vroeg het me. Ze wou zo graag.

Zo liepen we samen verder. Als we bij de mensen kwamen, verborg ik haar onder mijn cape. Waren we buiten alleen dan leefden we voor elkaar en in elkaar. Maar Puppi, dat duurde maar een paar jaar. We kregen samen kinderen, lieve, stralende kinderen, lichtblonde, flinke, levendige kinderen. We poogden hen mee te nemen op onze tochten, maar dat lukte niet. Ze waren te klein, of wij juist te groot. En de laatste keer toen ik weer afscheid van hen nam, toen lag ze ziek, mijn vrouw, mijn meisje. Ze ijlde in hoge koorts en niets kon haar vrolijk maken. Ik vroeg haar of ik moest blijven, maar ze knikte neen met haar hoofd en stamelde “Ga, ga, je moet gaan." Met angst in mijn hart vertrok ik, Puppi, ik joeg langs de wegen en voor het eerst van mijn leven liet ik me verleiden een paard te gebruiken. Ik kwam bij haar ouders, die voor mij de deur niet wilden openen. Want, Puppi, er was daar oorlog. De mensen poogden elkaar te verdringen uit hun huizen en steeën. Pas na lang kloppen openden ze de deur en ontving haar oude, oude moeder mij. Haar vader was gestorven met als laatste groet haar naam op de lippen. Haar moeder trachtte mij al het verdriet, alle ellende, te vertellen, maar ik luisterde maar half; ik begreep het immers niet. Hoe was dat mogelijk. Was dat toeval tegelijk met mijn meisje? Ik nam afscheid en trok verder. Doch overal hetzelfde

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.