Ergens in een diep hol zit een klein meisje. Ze zit daar al zo lang, want eigenlijk wacht ze op iets. Ze wacht op de winter, die toch eens zal moeten komen en haar mee zal nemen naar het land van ijs en sneeuw. Waarom moet dat nu zo lang duren. Verleden jaar, toen vader er nog was, toen was het ineens gebeurd. Toen stond ze op een zonnige ochtend op, gekleed en wel liep ze naar buiten en vlak, vlak bij de ingang, daar kwam koning Winter al aan, niet statig, o, nee, heel gewoon veerkrachtig. Wel met een stok in zijn hand en een licht van zon en lucht in de ogen. Ze had hem aangekeken, ze had opgemerkt dat hij jong was en blij en dat hij iets verstopt hield onder zijn wijde loden jas. Hij zei niet veel, keek slechts met zijn heldere ogen naar haar.
En nu zat ze hier op hem te wachten. Kwam hij niet omdat papa er niet meer was? En juist nu had ze hem zo nodig. Deze keer wou ze met hem praten over Wurmpie, Pietstaart en over datgene wat onder zijn jas had gezeten.
Puppi hield de ogen wijd open en toen voelde ze plotseling iets van binnen kloppen. Boem... boem... boem. Eerst zacht, toen harder en harder tot het suisde in haar en om haar heen. Ja hoor, ze zag iets, een witte stip in de verte die al dichter en dichterbij kwam en toen veranderde in een stofwolk. Kleine grijze draden spinden naar buiten, vingen de takken der bomen in hun net en holden tot aan haar verblijf, waar ze neerzegen in de schaduw van de aarde. Puppi stond op, deed een paar passen en viel toen, zodat haar kleine neus zich in de grond boorde en haar mond het zwarte zand raakte.
“Puppi, ik ben het maar. ” Het was alsof de stem van haar vader haar omving en meevoerde. “Sta op, kleintje, je zal zien, horen waar je naar verlangde. ”Puppi richtte haar lichaam weer op, glimlachte tegen de onzichtbare stem en bleef stokstijf staan tot een heel klein kereltje aan haar hand rukte en brulde: “Ga mee Puppi. ” Het was Gert, broertje Gert, die nu haar droom kwam verstoren of juist... “Ja Gert, ik kom al” en hand in hand liepen ze het bos in tot bij de grote Dondereik. En daar stond koning