En toch leefden wij

Titel
En toch leefden wij

Jaar
2015

Pagina's
235



Ik plaagde haar natuurlijk ook met 8.4.11 en Jan maakte zich al een beetje ongerust van wie die kaart wel kwam. Janti had meehelpen gissen en nu ik daar zat fluisterde ze hardop “die kaart was voor jou, Els, niet voor Janna" (...) Ik kwam thuis, erg moe, buiten zaten ze bij elkaar te smoezen, Albert was er ook. Ik vertelde alles en we lachten ons dood. Toen verscheen Gees met oudere Gees of ze me even alleen kon spreken. Ze was H. tegengekomen en hij had haar bezworen Zaterdagavond samen met mij te verschijnen. Dan kreeg ze de helft van de appels en was ze een engel. Alleen moest ze hem en mij dan gedurende 5 min. alleen laten, dan kon hij een afspraak maken met mij voor de Zondagmiddag. Gees beloofde grif, dolblij met de beloofde appels.

Zaterdagavond hadden we nog moeite om hier weg te komen zonder de jongelui, want die had ik het toch eigenlijk beloofd.

Ik zelf vond het ook sneu, maar Geesje joeg me op en met een list ontvluchtten we naar het kronkelpad. Dat griezelige paadje waar we toen paddestoelen hadden gezocht en waar we met Marijke en Janna op de tandem doorheen zwoegden. Reuze mooi, maar reuze donker. Het was bij negenen, Geesje reed voor, ik gnuivend, toch een beetje benauwd, erachter. Ja, hoor, een gil van Geesje, ik schrik me een ongeluk en daar staat ‘Hendrikus’ weliswaar nog op een afstand, maar toch binnen gehoorgrens.

We grijnsden alle drie, Geesje heel geagiteerd: “Toe joh, schiet nou op, de jongens komen ons achterna" Hendrikus pakt mijn fiets, slingert zich erop, hij heeft volgens mij beslist kal-verbenen, en nodigt mij uit achterop te gaan zitten. Ik sprong dapper, mijn handen knellend in zijn dierbare botten en floep de woep vliegen we over zand en geulen, gil ik aanstellerig en gromt hij mannelijk. Geesje instigeerde eindelijk af te stappen, het benauwde haar zo ver het bos in. Gedrieën, ik achteraan huppelend, weken we van het pad af en kozen ergens onder de vertrouwde bomen een passend minneplekje. Hij zeeg het eerst neer, dan ik ernaast en dan Geesje. Griet had me al gezegd wilde ik nog een keer appels krijgen, dan moest ik vooral een beetje lief glimlachen en nog méér (dat bedoelde ze). Hij kwam met zijn appels voor de dag, een stuk of 12, we bewaarden één voor haar moe en één voor Roos, omdat ze ziek was. Een sigaret kreeg ik ook en toen alles op was en ik hem een paar keer liefderijk in zijn ogen geglimmerd had, vroeg hij verlegen aan Geesje of ik nou even

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.