Is dat niet toevallig, ik schreefje in No III toch, dat ik van Moeke een brief had gehad samen met een van jou. Ze schreef erin ze zou vandaag komen en tot Maandagochtend blijven.
Het kwam me helemaal niet zo lekker uit vanwege de beloofde fietstocht, maar ik schreef natuurlijk dat het goed was. Dat zou dan dezelfde dag geweest zijn waarop jij om Roos vroeg. En nu schreef Roos gisteren ze zou Maandag bij je komen (let wel 15 mei 1944) en Agaath vanmiddag ze zou ook Maandag komen, want de kinderen vonden het zo sneu als ze er op Moederdag niet was. Is dat nou toeval of niet? Ik verheug me erg op haar, al ben ik er ook een beetje huiverig voor, want ik weet beslist niet wat te zeggen. En dan moet ik zo achter de kinderen en het eten aandraven. Dat wordt zo ongezellig. Toen ik Donderdag dapper aan Ru vroeg of hij goed vond, dat A. Zaterdag kwam, was zijn eerste reactie dat ik dan vooral de lakens moest verschonen zodat A. en ik in hun kamer konden slapen. (...) Zus, je schrijft zo fijn, je weet zelf niet half hoe echt je brieven altijd zijn. Ze staan zo midden in het leven en toch ook meer dan dat.
*25
Vervolg brief van 13 mei 1944:Laatst had ik met mijn held een heel gesprek. Die schat denkt, geloof ik, dat ik er trots op ben zo’n oud stuk te zijn. Maar daar heeft hij het toch mis. Ik merk aan alles dat wij feitelijk niets van elkaar weten. Hij vertelt altijd dezelfde verhalen, waar je iebel van wordt (uitdrukking van Agaath) en dezelfde flauwe grappen, waar Roos en ik hem ook geducht mee plagen. Ik begrijp het niet hoe een man zo oud en zo jong tegelijk kan zijn. ’s Zondags op de fiets is hij een stralende jongen, glad geschoren, knap, jong;
’s Maandags in de werkplaats en aan tafel een oude, afgeleefde, gerimpelde, lelijke man. Het verschil is zelfs zo sterk, dat het ook tussen ochtend en middag voor de dag komt. Trouwens