En toch leefden wij

Titel
En toch leefden wij

Jaar
2015

Pagina's
235



de hoogte van de politieke kleur van hun naasten, bejegenden hen met verholen wantrouwen. Wij gedroegen ons als welopgevoede buren.

Op een dag passeerde ik hen fietsende op ons fiets-wandel-bos-pad en hoorde haar nog net angstig roepen: “Kijk toch uit, Absalom.” ’s Avonds aan tafel spuide ik triomfantelijk: “Ik weet nu ook hoe die NSB’er heet!” Rudolf, een en al oor, “Hoe dan?” Ik, met aplomb, “Absalom.” Gelach. Roos, prozaïsch als altijd, “Welnee meid, hij bleef zeker met zijn haar aan een tak hangen.” Vaag drong het tot me door dat Roos doelde op de bijbelse Absalom. Maar zo makkelijk liet ik mij die vondst niet afnemen. Niet voor niets stamde ik uit een gezin waarin moeder en dochters specialisten waren in het ter plekke toekennen van beklijvende roepnamen. “Geen sprake van, hij héét Absalom, past bij hem!” hield ik dus vol.

Weken later - Rudolf en ik waren alleen op het erf, Roos was wandelen met de kinders - klopte Absalom, voor het eerst sinds zij in het bos bivakkeerden, bij ons aan. Toen ik opendeed, vroeg hij meteen op plechtige toon: “Kan ik meneer Barkhuijsen even spreken?” Ik nodigde hem uit binnen te komen en te gaan zitten tot ik Rudolf rond het huis zou hebben gevonden. Gelukkig trof ik hem in zijn werkplaats aan. Lichtelijk gespannen - tenslotte was Absalom NSB’er en kon je nooit weten wat-ie in zijn schild voerde - maar ook benieuwd naar de reden van dit onverwachte bezoek, kwam hij met mij mee.

Na een korte begroetingsceremonie viel Absalom met de deur in huis. “Meneer Barkhuijsen, neemt u mij niet kwalijk dat ik zomaar bij u aanklop, maar ik heb geen keus.” Zijn stem klonk geagiteerd met nauwelijks verholen gramschap. “Sinds weken word ik op verscheidene plaatsen in het dorp met ‘meneer Absalom’ aangesproken. Gister zei zelfs de vrouw van de bakker tegen me: ‘Tot ziens, meneer Absalom.’”

Omdat wij slechts over één woon/keukenruimte beschikten en de kookhoek aan de andere kant van de zithoek was, had ik mij daar, met de rug naar de heren toe, tussen de potten en pannen teruggetrokken. De nu niet meer te onderdrukken grijns op mijn lippen bleef zo onopgemerkt.

“Toen ik haar daarop vroeg waarom ze mij ‘meneer Absalom’ noemde, reageerde ze bevreemd met “Zo heet u toch?” Verbluft door dit antwoord wilde ik natuurlijk weten van wie deze mare

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.