De sneeuw smolt, het voorjaar deed zijn intrede. Roos, die meer en meer de voorkeur gaf aan het buitenleven, slaagde erin drie kippen voor onze eiervoorziening op ons ‘erf’ te huisvesten. Ik had een hekel aan die kippen, aan hun gekakel, aan hun scharrelen, kortom aan hun hele gedoe. Maar omwille van de lieve vrede liet ik mij door haar overhalen om mijn medewerking te verlenen bij het realiseren van een haan, volgens haar onmisbaar voor het stimuleren van hun tot dan toe povere eiproductie.
Blijkbaar - dat weet ik door een van zijn hand bewaard briefje als vrijwilliger, in mijn herinnering kan ik er niets van terugvinden - bestond er nog contact tussen de appelkeunich en mij.
*36Wat ik mij echter goed herinner is dat Roos, nadat ze bij de haar bekende pluimveehouders vergeefs had aangeklopt voor de door haar zozeer begeerde haan, via mij de appelkeunich erom wilde aanspreken. Ze was ervan overtuigd dat hij mij zo’n levend bewijs van zijn affectie niet zou kunnen weigeren. Tenslotte was hij de stamhouder van een welvarende boer voor wie een haan niet zoveel meer vertegenwoordigde dan een paar kilo appels. En inderdaad - tegen mijn verwachting in - verscheen Henk enkele dagen na mijn vol schroom geuite haanwens blozend van blijdschap in de Wigwam, een struise haan vastgeklemd tussen zijn armen.
En nog eens kreeg Roos gelijk. Na enkele weken met hun viriele soortgenoot logies te hebben gedeeld, broedden onze drie kippen steeds meer eieren.
In een van de zomerhuisjes in ons bos woonde sinds enige tijd een NSB’er met zijn vrouw. Ze waren gevlucht, misschien zelfs officieel geëvacueerd, uit de omgeving van het toen militaire vliegveld Eelde (Drenthe). De dorpelingen, doorgaans goed op