afkomstig was. ‘De mensen uit het dorp plegen u zo te noemen, maar ook meneer Barkhuijsen, uw naaste buur.’”
Ik hield mijn hart vast. Hoe zou Ru deze bijna-uitdaging pareren?
Toen hoorde ik hem effen zeggen: “Dina van de bakker heeft het bij het rechte eind. Ook ik, uw buurman, verkeerde tot vandaag in de veronderstelling dat uw achternaam ‘Absalom’ is. Meer kan ik daar ook niet aan toevoegen.”
Ik dacht: Rudolf, deze keer heb je jezelf overtroffen, ook door mij erbuiten te houden.
En Absalom, nu bijna verlegen, riposteerde: “Dan rest mij dus alleen nog mij aan u voor te stellen, mijn naam is . . .”
Die naam ben ik totaal vergeten! In huize Barkhuijsen bleef hij gewoon ‘Absalom’, met dien verstande dat Marijke en Folkert werd ingeprent dat ‘Absalom’ alleen binnenshuis bij name mocht worden genoemd.