16 december 1944, zondag Geliefde Zustermijne,
Eigenlijk heb ik helemaal geen tijd om te schrijven. Verleden week ben ik een brief aan Ag. begonnen, eergister een sprookje voor Else en dat moet ik allemaal nog afmaken. Het is al één uur, ik ben maar brutaal gaan zitten, want ik wil vanmiddag naar Roefje. Een vrouw van 43 jaar met een meisje van 13 en een jochie zo oud als Erik. Ze woont helemaal alleen, want haar kerel is verleden jaar verdronken, geen mens haast die naar haar toe komt. Nu heb ik beloofd vanmiddag te komen. Je snapt het niet, zus, maar overal langs de Bosrand kan ik vrolijkheid brengen. Ze zijn kwaad op elkaar als ik niet bij iedereen aanga bij mijn ronde van het melkhalen. Maar dat is onmogelijk. Ik ga immers nooit voor 6 uur hier weg en moet een halfuur lopen. En weer een halfuur terug én liefst om 8 uur binnen want de Landwacht (hulppolitie van de NSB) is weer speciaal daarvoor in actie (i.e. voor het toezien op het ‘om 8 uur binnen zijn.’) Als Roos komt vinden ze ook leuk, maar bij lange na niet zo, dat ze aan haar hoofd zaniken om gauw terug te komen. Weetje, we zijn tenslotte ook anders, zelfs ik kan geestig zijn als ik wil en dat vlotte, lollige daar zijn ze dol op. En ik houd ervan hen te plagen. Het is ook wel een beetje, omdat ik voel dat ze me mogen en dat dit mijn eigenwaarde streelt. Ook wel een reden, denk ik, waarom ik zo graag naar ze toe ga.
Op het ogenblik botert het niet best met de Ruro. Ik werk me dood, kom nooit klaar, maar geniet desondanks vaak van het idee dat alles eigenlijk op mij drijft. ’s Morgens, al is het nog zo druk, en de ochtend zo om, dan kan ik ineens diep inademen en gelukkig naar de kinderen kijken, die met alles tenslotte bij me komen als Roos er niet is. Fijn lijkt het me, ondanks het onafgebroken moeten werken, om zo later in nauw contact te staan met je eigen kinderen. Moet je ze dan ook zo vroeg naar een kleuterschool sturen? Ik voel er weinig voor. Ik begrijp ook niet hoe Roos zo onnadenkend om kan springen met Erik. Hij groeit zo snel en nog maar een paar jaar dan is hij baby af. Ze blijft veel te weinig bij hem stilstaan, is er eigenlijk veel meer voor de andere twee.
We zitten nu veel ’s avonds zonder licht en hoewel ik de tijd van niets doen betreur (ik lees op het huusje nl. zo’n mooi boek)