Uit brieven aan Ruth:
29 November 1944 Zusje mijne,
Ro is terug en hoewel ik niet wilde, was een van mijn eerste woorden dat jij ook wou komen. “Nou, ze komt maar, ” zei Roos hartelijk ondanks alles, dat is onze gespannen verhouding. Ze vindt mij een verwend mirakel en ik vind haar een berekenend kreng. Hoewel, sinds ze terug is ben ik blij met haar en krijg ik weer vlagen van hartelijkheid. Ik dacht er ineens over je te gaan halen, maar dat wil ze niet graag, mij alléén langs de weg, een meisje van die leeftijd, neen, dat wil ze niet. Zusje, ze zei, “Als Ro wil komen dan doet ze dat ook zonder jou, dan komt ze desnoods half lopende, halfop paard en wagen of zo. ” Zusje, kom voor het te laat is. Nu ik van Ro heb gehoord welke ellende er in D.H. heerst, zijn alle bezwaren verdwenen. Als je kunt, moet je komen. Kon je Ag. met de kinderen maar meebrengen. Maar hoe moeten die hier komen?Plaats zou wel te vinden zijn. Zusje, is Geert er nog?En Leen en Ton (de man van het echtpaar met klein kind, waar Ruth nu in huis was) en allemaal? Ik werd er naar van, van het hele verhaal. (Blijkbaar had Roos verteld dat er zoveel jonge mannen in Den Haag waren opgepikt voor de arbeidsdienst in Duitsland). (...)
Vrijdagmorgen
Wat een bof dat die brief nog niet weg is, want, zusje, ‘De Duif,’ ons huisje (dat ik voor Ruth en mij had uitverkoren) is weer vrij. Hoera! Nu moetje alleen opschieten, want zonder jou kan ik het niet huren, dat zou tot een opstand in Dwingeloo en Lhee leiden. Zoiets geks. (Met het huren van de Wigwam voor de winter had Roos een precedent geschapen. Toen er meer en meer, door de honger in het westen verdreven, onderkomen-zoekers oostwaarts stroomden en er ook in de gemeente Dwingeloo schaarste aan woonruimte ontstond, had het gemeentebestuur beslist dat alle zomerhuisjes ook in de winter moesten worden verhuurd als er vraag naar was). Erik hangt binnen op het potje, Roos is voor Sinterklaas boodschappen doen, de kinderen zijn