Winter 1944
De lange winteravonden kortten we met bezoeken over en weer, met name van ‘onze’ boeren aan de Bosrand. Voor de totstandkoming van zo’n gezellig avondje was wel een hele organisatie vereist. Omdat noch de boerderij, noch de jonge kinderen onbewaakt konden achterblijven stelde de ‘club der jongeren’ van de Bosrand zich gretig beschikbaar om in te springen. Hét vermaak op zo’n avondje ‘oppassen’ was met zijn allen, liefst luidkeels, zingen. Door mijn vriendschap met Geesje en kleine Jan beschouwden ze mij als een van hen en zagen ze erop toe dat Roos en Rudolf ’s avonds werden uitgenodigd. Dan konden ze bij mij komen oppassen. Om de een of andere reden beschouwden ze ‘oppassen in de Wigwam’ als het summum van entertainment; misschien mede door de romantische wandelingen, heen en terug, midden door het dichte bos (omdat de Duitsers noch de NSB’ers daar bij donker durfden te komen) in plaats van langs de geijkte paden. Roos en Rudolf, bij thuiskomst door datzelfde donkere bos, werden dan al op afstand vergast op onze i.e. hun zanglust (echt zingen kon ik nooit). En dat bracht Ru op het idee van de ‘zanglessen’. Gedreven door zijn eigen AJC-cultuur wilde hij die in zijn ogen onderontwikkelde boerenjeugd op een hoger plan brengen met zijn viool, zijn stem, maar bovenal door zijn eigen enthousiasme. De jongelui van hun kant vielen zonder meer voor een avondje extra vermaak, spotten goedmoedig onder elkaar met Rudolfs muzikale aspiraties en deden op hun manier hun best de leermeester niet al te zeer teleur te stellen.
Brief aan Ruth: 21 november 1944 (verjaardag van mijn oudste zuster) Geliefde zustermijne,
Is dat nu weer toeval geweest, dat Janna vanavondje brief kwam brengen? Ik verwachtte eigenlijk wel wat vandaag. Gek, zus, wat jou betreft heb ik altijd een soort voorgevoel. Voor het eerst vanmiddag op het huusje dacht ik hoe het zou zijn als