ten, vroeg hij me bijna nederig wat ik had besloten. Ik gaf aan dat ik bereid was aan zijn verlangen toe te geven mits Roos en de kinderen er niéts van zouden merken. Aan deze voorwaarde hield hij zich stipt, ook in zijn relatie tot Roos, die nooit iets heeft gemerkt, of ook maar vermoed (wat ik door omstandigheden een twintigtal jaren na dato uit haar eigen mond heb vernomen). En zo is het tot haar einde gebleven.
Wel was ik het die negen van de tien keer brokken wist te voorkomen.
Maar één keer, Ru en ik waren een paar uur alleen op het ‘erf’ en hij had mij overgehaald die gelegenheid niet voorbij te laten gaan, werden we bijna op heterdaad betrapt. We lagen op mijn bed ‘bij te komen’ toen Rudolf buiten stappen hoorde. Het was klaarlichte dag, geen deur op slot. In no time stond hij, broek vastsjorrend, hemd in één hand, boven op bed. Met de andere hand greep hij de stijl van het raam vast en sprong met een fikse zwaai naar buiten. Even later hoorde ik hem bij de voordeur met iemand praten. Stikkend van het lachen bleef ik nog even lekker liggen.
Rudolf was geen slecht mens. Integendeel. Naïef was-ie wel, is-ie gebleven zolang ik hem heb gekend. Ik had hem, zonder het te willen, zonder het ook maar te beseffen, voor altijd vlam doen vatten door mijn permanente aanwezigheid in huis. Zijn gevoelens zaten veel dieper dan ik in mijn onschuld kon vermoeden. (Pas maanden na afloop van de oorlog, nadat ik het gezin Bark-huijsen in Lhee had verlaten om mijn eigen leven in het westen in te richten, kwam hij mij opzoeken om mij dat onverbloemd te laten weten. Hij zou naar Nederlands-Indië (Indonesië) gaan en daar op mij wachten tot ik mijn studie had beëindigd en met hem zou willen trouwen).
Terugblikkend op onze vaak romantische escapades (bv. ’s nachts bij maneschijn, midden in het bos, terugkerend van Rudolfs zangavondje voor de jeugd bij de familie Keizer - de ene week begeleid door Roos, de andere door mij), wat milder geworden in de loop der jaren, wat objectiever ook, denk ik toch dat deze ‘uitstapjes’ mij het laatste halve jaar van de oorlog aanmerkelijk hebben verzoet. Tóén voelde ik mij vaak inwendig opstandig dat ik als bijvrouw fungeerde. Wat wist ik al van mannen. Rudolf gedroeg zich tegenover mij als een gentle-man, maar als een man. In de, in mijn ogen, meest absurde situaties trachtte