heid jegens hem hondmoedig - toonde nu een fijn gevoel voor hiërarchie, waardoor ik hem alsnog in mijn hart sloot. Roos was zijn oogappel, haar bewaakte hij dag en nacht. Sinds haar vertrek bivakkeerde hij ’s nachts voor het slaaphok van de kinderen en mij in plaats van voor de deur van de Ruro. Overdag liet hij mij nooit uit het oog.
Op een avond - Rudolf en ik zaten vredig naast elkaar voor het kookfornuis met het deurtje, waarachter de brandende houtblokken, open voor ‘leeslicht’ - voelde ik ineens een vreemde spanning in de atmosfeer. Bijna op hetzelfde moment wist ik. Nog geen minuut later had Rudolf zijn arm om me heen geslagen, mij naar zich toe getrokken en overstelpte hij mij hartstochtelijk met kussen. Ik was ‘flabbergasted.’ Maar . . . gaandeweg kwam er iets in mij los, raakte ook ik verstrikt in dit fascinerende spel. Hoe lang? Eindeloos. Tot we ieder naar ons eigen bed togen. Maar daarvoor had hij me mee naar buiten genomen, de koude nachtlucht in en verklaard dat hij van me hield en geen rust meer kende, dat ik compassie met hem moest voelen en mij aan hem moest geven.
Dat was wel het laatste wat ik in de zin(nen) had. De opwinding van de schier al het andere wegvagende zinsbekoring, zeker voor herhaling vatbaar, had verleidend en verdovend tegelijk gewerkt. Maar dat was het dan. Verder gaan wilde ik onder geen voorwaarde. En waar bleef Roos bij dat alles? Toen moest het hoge woord er wel uit. Het zou Roos niet hinderen. Hun hulp, Boukje, mijn voorgangster, had zo nu en dan, met het fiat van Roos, ook in bed als haar vervangster dienst gedaan. Nu, ik was wel jong (voor die tijd) en onervaren, maar daar tuinde ik zo niet in. Dat was zijn voorstelling van zaken. Bovendien was Roos toen zwanger van Erik en . . . Boukje was Boukje en ik was ik. Volgend op mijn stilzwijgen schoot hij nu zijn voltreffer af: per slot van rekening had hij mijn leven gered en dus . . .
Bang voelde mijn geest. “Daar moet ik over nadenken,” uitte mijn mond. “Tot morgen dan, langer houd ik het niet meer uit.” Die nacht trachtte ik mijn situatie zo neutraal mogelijk te overzien. Opvoeding, intuïtie en omstandigheden dreven me naar een categorisch ‘nee, ik doe het niet.’ Daartegenover pleitte een bijna volwassen stem in mijn binnenste: ‘Je bent moreel verplicht je schuld bij hem af te lossen, het koste wat het kost.’
De volgende dag, zodra Rudolf kans zag mij alleen op te wach