Onze huisarts in Amsterdam, dokter Van der Poorten, had het doktersbezoek voor mij al heel gauw verpest. Toegegeven, ik was tot dan verwend geweest. Eerst, tot aan mijn zesde jaar, mijn lievelingsoom. Daarna Onkel Karl, een kinderarts die in Keulen in onze straat woonde, een paar huizen van ons vandaan, met wiens enige zoon, Franzehen, in leeftijd tussen Ruth en mij in, wij vaak speelden en wiens vrouw, Tante Thea, in de verte familie van moeder was. Met andere woorden: de familie Rosenthal behoorde tot onze huisvrienden en wij drie kinderen (meisjes!) waren dol op Onkel Karl, mede door zijn knappe versehijning. Van der Poorten daarentegen, klein van stuk, in mijn ogen onbeduidend, trachtte mij, al vanaf ons tweede treffen, op te voeden in Nederlandse manieren. Dat viel niet best bij me. Deed ik niet al mijn uiterste best om mij in het Nederlands en zonder fouten uit te drukken. Maar onze nieuwe huisarts, zieh bewust van zijn alomvattende taak van Joodse dokter tegenover dit immigrantengezin - hij was ons aanbevolen door goede vrienden - corrigeerde meedogenloos elk ‘ja’ en ‘nee’ van mij (in de Duitse taal gebruikelijk) in ‘ja dokter’, ‘nee dokter’. Gevolg: constant verzet van mijn kant als mijn moeder opperde hem vanwege mijn onwel voelen te consulteren. Mijn antipathie tegen hem bleek zo overheersend, dat ik maar al te vaak trachtte mijn fysieke hinder zolang mogelijk voor mijn ouders te verbergen.
Dus ging ik met Roos en Erik, die zonder aanwijsbare oorzaak al een paar dagen dreinerig was, de volgende dag naar de dokter. Uit angst dat ik misschien op het laatste ogenblik mijn hielen zou lichten, liet Roos mij het eerst naar binnen gaan.
Vaag herinner ik mij de spreekkamer, vaag zie ik de dokter tegenover mij aan zijn bureau zitten; aan de ene kant vol belangstelling voor mijn klachten, aan de andere kant voor mij onpeilbaar.
Hij had een goede naam in Dwingeloo en omstreken. Eigenlijk werd er alleen met waardering over hem gesproken, al stond hij bekend als een zonderling.
Na enkele zinnen over en weer keek hij mij pal in de ogen en constateerde: “Je bent een Jood.” Die uitspraak kwam zo onverwacht, zó direct en buiten elke context van ons gesprek, dat ik even moeite had mij in te houden. “Nee,” zei ik effen. “Ja,” repliceerde hij met evenveel aplomb. “Beslist niet,” verweerde ik me nu geprikkeld. Blijkbaar klonk mijn stem zo afwerend dat hij