raakt me allemaal. Zou het nog lang duren?Het kan haast niet. Wat zal Moeke zweven tussen angst en hoop. (...)
Roos zei mijn dienstje op, niet omdat ik er genoeg van had, maar omdat wij nu de kost zouden verdienen met aardappels rooien, dat kon Rudolf niet alleen. Elke ochtend, om zes uur stipt, vertrok de ploeg van de dag naar het van de boer aangenomen stuk land, één dag Rudolf met Roos als raapster, één dag met mij. Zijn taak was de kluit met aardappels uit de grond te spitten - geen licht karwei - en die dan met een draai van de vork op de akker te gooien zodat de wortels met de aardappels bloot kwamen te liggen en deze ‘voor het grijpen’ lagen. De vrouw van de dag maakte de aardappels los uit de kluit - ook geen sinecure - en stopte ze in een jute zak. Het met de boer overeengekomen rooiloon voor zijn akker sloot een onbeperkte hoeveelheid aardappels in die we dagelijks mee naar huis mochten nemen. Uit een van mijn brieven aan Ruth blijkt dat ik f 2 per week van het loon mocht houden en dat ik dat aardig van de Ruro vond.
Bij thuiskomst voelden we ons, vooral in het begin, geradbraakt. Ik had bovendien toen al last van mijn rug. Maar de buitenlucht, de totale vrijheid en de voldoening het voor ons ongewone werk te klaren wogen ruimschoots op tegen de fysieke inspanning.
Laatste blad dagboek:
8 october 1944, zondagavond
Zusje, ik ben moe en verlaten. Ik moet me weer eens bij jou verlossen. Vandaag was ik even bij G. (Griet) en J. (Jan). Dat helpt anders ook wel. Maar nu waren we niet alleen. Volgende week is Folkert jarig en wordt het een feest. Ik voel er niets voor. Ben droevig nu. Omdat het niet opschiet? Het is onzin. Ik mis jou en Moeke. Ik kan wel zonder jullie, maar moeilijk. Ruro is een beste, allebei, ondanks het gekibbel, maar een psychische steun heb je er niet aan. Dit dagboek krijg je misschien nooit. Ze maken hier tankwallen en ik ben ervan overtuigd, dat er gevochten zal worden om ons heen. Ik ben zo moe van al het denken en berekenen. Zouden we nu werkelijk de winter nog