werd ze al 70, die oude puk. (In mijn herinnering was ze boven de tachtig jaar). Maar het is toch zo een kreng.
Als ik dan na vijf uur toezicht licht doorgedraaid de Wigwam binnenkwam, stonk Erik mij uit zijn ‘vakantie-box’ tegemoet en zat Roos onverstoorbaar aan tafel geld te verdienen op haar geleende naaimachine. Alleen Eriks blijdschap over mijn komst en zijn verlossing uit eigen besmeuring verloste mij dan van een onontkoombare opstandigheid.
Maandag, 25 september 1944
Ik weet niet hoelang ik al niet heb geschreven. Het verhaal van de appelkönig is nog niet af en een heleboel meer niet. Ik had geen tijd. Geen druppel. Verder dan het appelkönig verhaal wilde ik ook niet gaan, dat was ongeveer het tijdstip waarop we naar huis wilden. Zusje, je hebt toch geen honger? Ik denk er toch wel eens aan, al geloof ik het niet erg, maar soms dan griezel ik er van. En ik hier in mijn dikte. We hebben het hier zo fijn, zus. Gisteravond kon ik wel niet tot rust komen. Toen zag ik aldoor Mutti voor me en een stuk Marijke en achter hen geladen geweren. G. (Griet) had me zo treurig gemaakt. Ze meent het zo goed en ze denkt ook vast aldoor aan hen, maar ze is zo ontzettend pessimistisch wat dat betreft.
*32 (Roos en Rudolf hadden Griet en Jan onder het zegel van geheimhouding ingewijd over mijn afkomst; we bivakkeerden immers op hun terrein. Ze hebben deze kennis - ondanks Griets notoire ‘praatzucht’ - tot aan het einde van de oorlog strikt voor zich gehouden). Toch is het wel zo, als je het met koele ogen bekijkt, bestaat er haast geen kans dat ze in leven blijven. Ik ben voor vadertje weer bang, banger dan ooit. Was ie maar hier (in Nederland). Zus, ik mag er niet aan denken. Wat is er toch ontzettend veel ellende. En nog kan je je eigen ik niet vergeten. Wat hebben we een geluk dat we hier zitten, zo ver daar vandaan. Je weet er natuurlijk niks van. Misschien valt er hier juist een bom