En toch leefden wij

Titel
En toch leefden wij

Jaar
2015

Pagina's
235



gereden, die zich ziek lachte terwijl Geesje eraf sprong en mij alleen op de tandem liet ploeteren. Toch kwam ik opgewekt thuis om 10 uur en begon met smaak te eten, toen Ro ineens op bitse toon: “Je haaltje dekens maar bij Gees van de zolder en dan kom je weer hier slapen. ” Ik was woedend ineens. Al het verdriet om het vertrek van Dick, Sehnsucht naar Muttis liefde en voor het eerst sinds ik bij haar ben begon ik te snikken. Eerst had ze het niet in de gaten, toen vroeg ze wat er was en toen liep ik weg naar de koestal om daar verder te huilen. Alles van maanden kwam los, wat is het toch wel eens goed om uit te huilen. Toen stapte ik op om de dekens te halen.

’s Avonds op bed Roos: “Je kan van mij morgen aan de dag met de trein vertrekken, ik heb meer dan genoeg van dat gezicht aldoor om me heen. Nou ben je een hele dag mooi uit geweest en nou blèr je ineens.” Ik stil, beledigd, zei: “Goed, ik ga, maar dat had je vanmorgen kunnen zeggen dan was ik met de mannen mee getogen.” Afijn, zus, we praatten nog uren, met grote pauzen. Het eind was dat ik mijn excuus aanbood en beterschap beloofde. (...) Roos was werkelijk net een moeder, ook wat het overdrijven en zo betreft, maar ik had het echt nodig eens op mijn nummer gezet te worden. Weetje, ik voelde me dolblij dat we elkaar vroeger thuis alles naar het hoofd slingerden, daardoor kon ik die bittere waarheid zelfs van Roos slikken. (...) De volgende week was niets bijzonders. Maandag bracht ik weer het pakje weg met Geesje samen op de fiets. Dinsdag werd Roos ziek en had ik de rest van de week voor niets anders tijd dan voor mijn kinderkens en de hele rotzooi. Het was ontzettend druk en ik had eigenlijk geen ogenblik rust. Vrijdag voelde ik mijzelf zo ziek als een hond en ging ’s avonds doodmoe bij Roos in het gras liggen. Het was ook al dagen zo een gloeiende hitte geweest dat je het liefst in je nakie zou gelopen hebben. Jan, Geesjes broer, en Johannes, de neef, riepen of ik een appel wilde. Ja hoor. Ze gooiden, maar ik vond hem niet en liep naar hen toe voor een nieuwe. Ze hadden niet meer, wel ‘Hendrik Koster.’ Ik zeg: “Kom op Hendrik met je appels ” en ik kreeg de laatste twee prachtige rode. (Hij was al een keer om de hoek bij Griet komen kijken, vragen of Albert er zat en Griet wist toen direct dat ie eigenlijk voor mij kwam).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.