vervolg brief 16 augustus 1944
(...) Gistermorgen waren we voor ons doen erg vroeg en hielpen we hier de rogge binnenhalen, wat vreselijk ‘ruzig en drok is bij huus’, zoals Griet pleegt te zeggen. Het gaat zo: wagen met paard trekt naar de es. Daar staat één die de schoven of garven opgooit. Degeen die de wagen trekt legt ze neer op de wagen.
Tot ie afgestampt vol is. Dan gaat ie naar huis. Hier wordt het paard uitgespannen, voor een lege wagen weer ingespannen om weer te vertrekken. De volle wagen wordt voor de schuur of de nok van het dak gereden (meestal allebei). Eentje gaat op de wagen staan . . .
18 augustus 1944, vrijdagmorgen half acht,
... en gooit met zo’n grote stok met twee ijzeren ringen eraan de garven op naar degeen die ze netjes neerlegt. Dat is alles. Maar het is reusachtig vermoeiend en als het zo warm is als toen ben je in een ogenblik door en door nat. Ik ging het eerst mee op de wagen de rogge halen. Hendrik, Jans broer, zat voorop, de kinderen achterin. Bij de rogge ging ik vlijtig mee garven op de wagen gooien, Hendrik met dat ding, ik met mijn handen. Dat vond ik een fijn werk, zo rhythmisch. Dan liepen we naast de wagen weer naar huis, ik kreeg onderweg nog opmerkingen genoeg, d.w.z. de buren hadden het over mij tegen Hendrikus. Thuis gingen we ruilen. Roos op de lege wagen en ik op de volle om de garven naar beneden te gooien naar Henny (Griets nichtje van 16 jaar), die ze naar boven naar Jan en Griet wierp. We zwegen en zweetten. Ik was door en door nat en voelde het wel in mijn rug. (...)
’s Avonds zouden Geesje en ik naar de kerk gaan, waar een Amsterdammer orgel zou spelen. Maar ik moest Roos wel vragen om mee te gaan en ze wilde graag. Het was er voor hier vol. Haast allemaal vrouwen en zowat alleen vreemdelingen. Weinig ingezetenen. Roos en ik zaten naast elkaar in de hoek. Ik keek natuurlijk overal rond en voelde me heerlijk veilig, begreep