niet mee - voelde).
(...) Zal je dit (dagboek) ooit krijgen? Ik hoop dat ik het je gauw zelf mag geven, of dat jij het hier komt halen. Kan je je oudelui niet warm maken om hier te komen? Waar weet ik weliswaar niet, maar wat geeft dat.
Doddijntje, wat ben ik ver van jullie weg. En zo vlak bij hun laatste verblijf (Westerbork). Ik moet er eens naar toe, het zien, al is het maar uit de verte.
Duizend zoenen altijd je zussie 5 augustus 1944, zaterdagmiddag 5 uur
(...) Vanmorgen praatte ik fijn met Griet, die zei Jan had ook zo ’n schik in me, hij moest zo veel om me lachen en vond dat ik een ‘goede kwade ’ was, maar dat op zijn Drents gezegd. Hoe die dat zó door heeft, ik geloof dat zij (Roos en Rudolf) daar langer dan een week over puzzelden. Ik ben blij dat ie me doorheeft.
Ik ben nou een keer geen goede en dat zal ik ook nooit worden. Alleen komt er misschien met de tijd een beter glazuur omheen. Hier staat haast de hele dag de broer van Geesje, Jan, in zijn rolstoel. Ik weet niet wat die heeft, kinderverlamming geloof ik haast. Het is een aardige jongen, maar hij gaat me op de zenuwen. Hij plaagt me de hele dag en ik amuseer hem zoveel mogelijk, want ik heb medelijden met hem, vooral omdat ie nooit een echte man zal kunnen worden. Weet je, bij zoiets denk ik altijd dat je zo een jongen meer zou moeten geven. Maar ik kan het niet, ik ril ervan en waarom? Alleen omdat ie een beetje mismaakt is. Wat onrechtvaardig wreed zijn we toch allemaal.
‘Kleine Jan’ zoals iedereen aan de Bosrand hem noemde - zijn vader was kortweg Jan - werd mijn trouwste vriend in Lhee.
Hij had een beetje een waterhoofd dat min of meer scheef op zijn nek zat, handen die eveneens ‘verkeerd’ gericht waren, een been waarover hij helemaal niet kon beschikken, terwijl zijn andere been ook niet normaal functioneerde. Met enigszins passabel weer vertoefde hij praktisch de hele dag buiten in zijn invalidenwagentje. Zijn moeder en Geesje - ’s avonds ook zijn