Ergens in mijn fotoarsenaal moet nog een foto zijn van het hele gezin, die ze mij na de oorlog als blijvende herinnering hebben toegestuurd.
En toen naar de melkfabriek. Ik papte direct met de boterdraai-er aan, een heus wel behoorlijk uitziend jongmens en mocht ook gelijk een lik boter proeven, waar ik van griezelde. (Tot groot verdriet van vader had ik van heel jong af een gruwelijke hekel aan boter. Hij was oprecht van mening dat ik met iets meer boter op mijn brood beter zou groeien). Maar Roos verstoorde de idylle meteen. Strop hè?
’s Middags, zoals ik al schreef, op de koeweide lekker in de zon gelegen tot de kinderen, Janna en Hermina (Keizer) plus nichtje, kwamen spelen. Hebben we fijn getold en krijgertje gespeeld. Toen was ik jong en dat wilde ik zo graag toen ik hier kwam. Zij (Roos en Rudolf) zijn niet jong, niet zoals vadertje en moeke, die lieve lieve schatten. (Ik denk dat ze zelfs twee jaar jonger waren dan het echtpaar Vis). We zijn daarna nog in het bos geweest om hout te hakken. Folkert was zo akelig tegen me. Hij is net zijn moeder. Als ie alleen met me is, op me is aangewezen, dan is ie schattig. En anders is ie van ‘blijf van me af, je mag dit niet en je mag dat niet. ’ Soms zijn het krengen die twee. Heel anders dan Ru, Marijke en Erik. Gisteravond leuk gekletst met Jan en Griet. De Ruro ging naar Emming, de boer schuin tegenover.
Ru vroeg wel heel gedwee: “Baby ga je mee?” Maar baby wilde aan zus schrijven (netgeeft Roos me de bonnen voor Mutti, nou dat is toch wel schattig, weetje, ze meent het nooit zo kwaad).
(...) Vanmorgen kondigden ze mij op een idiote manier aan dat ze gingenfietsen. Dus ik met de drie kinders in het wagentje op stap. Zalig, heel ver door de roggevelden en het bos in langs kleine hobbelige paadjes. We vonden een massa wilde frambozen en alsmaar plukken. Ze waren zo lief, de kinderen. Ergens op een prachtig plekje gingen we in de zon liggen. Marijke mocht aldoor kiezen welke weg we insloegen. Nou ze had een reuze plekje gevonden en was trots als ik weet niet hoe. Thuisgekomen zat Wim, Ru’s broer, er. Ik ging weer in de zon braden om aan jou te pennen tot Marijke me kwam halen of ik met Griet wilde gaan melken. (...)