niet op, dat ik je rheumatiekvacantie geef, want ik heb énorm veel werk meegebracht.
— Dat komt dan leelijk uit, antwoordde Kooymans bedremmeld. Het personeel staakt.
Hij zweeg plotseling, temidden van algemeene verlegenheid. Alleen Frits Waller bleef glimlachen en moedigde Karei met blikken aan.
— Staking? vroeg Lobbes. Dat is de éérste maal. Bij mij werd nog nóóit gestaakt en ik wil ook niet dat het noodig is. Waar gaat het om? Willen ze loonsverhooging? Kunnen ze krijgen. Ik heb prachtige partijen verkocht en nog meer in commissie.
— Het gaat niet om loonsverhooging, antwoordde Kooymans, iets meer op zijn gemak. Ze willen dat de ontslagenen weer worden aangenomen.
— Natuurlijk, natuurlijk, direct weer aannemen, gaf mijnheer Lobbes onmiddellijk toe. Ik weet weliswaar niet waarom je ze hebt ontslagen, Karei, maar ze zullen het wel nooit weer doen. Daar ben ik zeker van.
Kooymans’ gezicht verhelderde. Hij drukte zijn patroon geestdriftig de hand.
— Dat is mooi vanU. Maar dan klagen ze nog over dat politietoezicht.
— Wélk toezicht? Staat de fabriek onder politietoezicht? vroeg mijnheer Lobbes oolijk. Kooymans, Kooymans, wat heb je gedaan?
Hij dreigde schertsend met den vinger.
— Het begon immers met dien doorgebroken muur van het pakhuis, zei nu de boekhouder.
— En toen volgde de muur van den slager 1 viel Karei in.
— Daarna dat opstootje met al de buren voor de deur, vulde Kooymans aan.
— Och, ze bedoelen het werk voor de uitbreiding van de fabriek,
256