snellen blik op zijn zoon en Kooymans. Ja, het leed geen twijfel, ze hadden tegen Van Duren gesproken en dat was voldoende geweest om den bacil der krankzinnigheid op hem over te brengen. Een trilling van smart en ontzetting verwrong zijn gelaat. Hoe kreeg hij den man intijds bij professor Van Meekeren, om de besmetting tot hem te beperken? Kon hij hem maar met een zoet lijntje bij zich houden, tot hij er zelf heen ging.
— Gerard, zei hij, zoo vriendelijk en bedaard als zijn bewogen gemoedstoestand dat toeliet, ik heb binnen een uitstekende zandblad en de oude port staat er ook nog.
Over Van Duren’s gezicht vloog een roode gloed van toorn.
— Denk je, dat ik een sigaar kom rooken, terwijl mijn heele zaak één en él verontwaardiging is over jouw mal gedaas van gisteren? riep hij woest. Telefoneer den hoofdcommissaris onmiddellijk dat je je fout inziet en aan den vakbond, dat je bereid bent een behoorlijke schadevergoeding te betalen.
— Ja, ja, antwoordde de heer Lobbes zacht en meegaande en trad een stap in de richting van zijn privé-kantoor. Zoo’n sigaartje heb je nog nóóit gerookt, geloof me nou maar, en als je mijn port proeft, vergeet je alle hoofdcommissarissen en vakbonden van de heele wereld. Kom nou mee, zei hij lokkend, die twee hebben een grapje met je gemaakt.
— Ik heb niks met je grapjes te maken, bulderde Van Duren. Had ik eergisteren, toen je op mijn bureau zoo krankzinnig deed, maar geloofd, dat je het was, dan was ik met de heele lift niets begonnen.
— Lift, wélke lift? Wat heb ik met jouw liften te maken? Waarom zou ik krankzinnig doen als ik het niet ben ?
— Maar je bent het juist wél! schreeuwde Van Duren. Je zoon en je boekhouder zijn mijn getuigen.
— Ja, ja, ja-ja, ja, die zijn getuigen, als gek en getuigen in jouw oog
208