— Ze willen niet onder politie-toezicht werken.
— Politie? Bemoeit die zich dan óók al met mijn zaken? Voort
met ze......
— U wilt toch zeker niet den hoofdcommissaris naar den professor sturen ? riep Karei uit. Als U niet was begonnen dien muur te laten sloopen, zouden we het een boel rustiger hebben gehad.
— Wélke muur? vroeg de heer Lobbes verbaasd. Wie is er dan aan het sloopen geweest? Dat loopt toch verdorie de spuigaten uit. En al dat onheil heb jij gesticht in die paar dagen, dat ik weg was! Heb ik dan een schooljongen de leiding der zaken toevertrouwd?
Kooymans en Karei keken tegelijkertijd den opvliegenden patroon stom van verbazing aan. Sloeg hij nu al weer om, dachten ze. Of wist hij werkelijk niet meer, dat hij zelf de opdracht had gegeven den muur door te breken ?
Karei kwam het eerst tot bezinning, richtte zich hoog op en keek zijn vader uitdagend aan.
— Vader! kreet hij, bent U het nou of bent U het niet ? HebtU zelf bevolen, dien muur door te breken, ja of nee?
Zoo krachtig was hij van uitdrukking, dat zelfs de heer Lobbes er van schrok. Hij trad een stap terug, doch herwon spoedig zijn geestkracht.
— Wil je zeggen, dat ik zoo idioot ben geweest opdracht te geven om te sloopen ? vroeg hij op snijdenden toon.
— Ja, antwoordde Karei op vasten toon en ook dat U beweerd hebt, dat beide huizen hiernaast zijn aangekocht. Vraag het maar aan Kooymans. Laat die zeggen of het zoo is of niet.
De heer Lobbes vestigde een uitdagenden blik op den boekhouder, die daaronder bedremmeld terug krabbelde. Niettemin zei hij vrij luid:
— Wat waar is, is waar, mijnheer Lobbes. U bent mijn patroon en