— Nog méér?
En nu vertelde Karei Lobbes den boekhouder alles wat hij had meegemaakt, sinds hij met Leo het café had verlaten. Hij vergat niets, kleurde en dikte eerder de gebeurtenissen van den vorigen avond aan en fantaseerde er allerlei vermoedens bij.
— En verbeeld je, eindigde hij, toen stuurde vader Cora naar bed en herhaalde tegen mij al dien onzin, waar zijn mond al twee dagen van vol is. Alsof ik er niet al lang beu van was.
— Van mijn rheumatiek óók? vroeg Kooymans, met een geestigen twinkel in zijn oogen.
— Lach er maar om, zei de jonge man verdrietig. Volgens hem zou de heele familie, ja de heele stad krankzinnig zijn geworden gedurende de dagen, dat hij in Leipzig was. Alleen zichzelf en professor Van Meekeren vond hij bij volle verstand zijn. Alsof het niet veel eenvoudiger was te denken, dat het alleen met hem mis is.
— En die detective?
— Dat is de grootste idioot van allemaal! viel Karei verontwaardigd uit. Die trapt onze vensters in om naar boven te klimmen, in plaats van behoorlijk aan te bellen. Hij chloroformeert alles wat hem in den weg komt, tot mijn moeder toe en hakt een halvesteens-tusschenmuur open om een geheime ruimte met documenten te zoeken. Lach niet I schreeuwde hij. Bedenk dat die halve gare tegelijk door mijn zuster en mijn vader was aangenomen en voor beider geld elkaar er tusschen neemt.
Nu bulderde Kooymans het uit, niettegenstaande Karel's woedend gezicht en scheen maar niet op adem te kunnen komen. De jonge man schreeuwde en sloeg op zijn bureau en toen dat niet hielp, goot hij den ouden man wat water in den hals.
Kooymans weerde hem af en toen wierp Karei hem het overschot in zijn gezicht.
201