zich tot kalmte dwingend, een sigaar uit zijn koker en reikte dezen dan zijn vader toe.
— Moet u niet rooken, vader? zei hij uiterlijk bedaard.
Cora schrok innerlijk. Ze verwachtte een nieuwe uitbarsting. Doch het gelaat van den heer Lobbes ontstrakte zich.
— Ja jongen, antwoordde hij, wonderbaar kalm. We hebben er den maaltijd ook bij ingeschoten. Ga naar je kamer, Cora, zei hij dan, niet onvriendelijk. Ik heb nog iets met Karei te bespreken. En jij hebt ook wel rust noodig, na zoo'n drukken dag.
XXVDOOR EEN GLAASJE WIJNDe boekhouder Kooymans stapte uit de tram en liep met den hem eigen sportieven tred het plein over, naar de Achterstraat. Toen hij den hoek was genaderd, bleef hij echter verwonderd staan. Verderop, ter hoogte van de fabriek, stonden ongewoon veel menschen bijeen.
Hij schudde het hoofd. De vreemde gebeurtenissen der laatste dagen schenen geen eind te willen nemen. Gedurende de twintig jaren, dat hij bij Lobbes in betrekking was, had hij niet zooveel emoties ondergaan, als sinds de patroon twee dagen geleden uit Leip-zig was teruggekomen.
Wat kon er nu weer zijn? dacht hij. Waren de opperlieden van Goedertrouw tegen de afspraak in, tóch weer aan het sloopen gegaan? Daar moest hij dan gauw een eind aan maken. De slager was altijd een geschikt buurman geweest, maar nu zijn nieuw gepleisterde en
196