Professor Van Meekeren was niet thuis, maar op hun aandringen kregen de beide heeren een lijst der patiënten mee, die hij dien middag zou bezoeken.
— Wel? vroeg Karei, die met Leo in de auto had gewacht.
Waller vertelde het hem en de jongelui deden toen een voorstel.
Men zou alle patiënten van professor afrijden en hen overhalen op te treden als beëedigde getuigen der twee van krankzinnigheid verdachten. Trof men nergens den professor aan, zooveel te beter.
Een enkelen keer haddenWaller en Dr. Vogel succes en een anderen keer werden zij zonder praatjes de deur uit gezet.
De zevende patiënt was een psycho-analytisch romanschrijver en die hield hen zoo lang aan de praat, dat het Leo verveelde nóg langer te wachten.
— Weet je wat, zei hij tegen Karei, wij gaan ergens een glas spuitwater drinken, terwijl die twee vrienden van jou dien sinjeur boven van hun krankzinnigheid overtuigen. Zóó kan ik me toch niet aan je moeder vertoonen.
Ze reden dus naar een nabijzijnd café en het spuitwater knapte hen zoo lekker op, dat zeWaller en Dr. Vogel finaal vergaten en wegreden. Voor de woning van Lobbes zagen ze iemand van het balcon springen en dien sloeg Leo tegen den grond, vóór hij weg kon loopen. Eerst nadat ze een kwartier lang hadden gebeld en op de deur gebonsd, maakte Lena open en verdween direct weer. Leo en Karei droegen toen ongemerkt de beide bewustelooze mannen in den kolenkelder en deden het haakje op de deur.
Mijnheer Lobbes zat voor zijn bureau te peinzen, toen zij binnen kwamen.
Daar hij op den grond lag, toen Joris Jochem over hem heen sprong had hij diens gezicht niet kunnen zien. Hij wist dus niet wie in die kast had gezeten en daar de deur van de voorkamer voor zijn neus