Een volgende keer moet je maar brullen als een leeuw. Dan zijn ze misschien op een afstand bang voor je.
XII
EPIDEMISCHE KRANKZINNIGHEID
Frits Waller had dien nacht niet kunnen slapen. De woorden van zijn besten vriend pijnigden zijn hersenen zoozeer, dat hij er, of hij wou of niet, voortdurend aan moest denken.
Valsche vriend, had Herman Lobbes hem genoemd. En dat, waar zij zoovele jaren trouwe vrienden waren geweest. Na het ontbijt was zijn eerste opwelling, het huis van Lobbes op te bellen. Maar dan herinnerde hij zich, dat Cora het hém zou doen. En vooral daar hij zich niet kon indenken, hoe bij zijn vrienden thuis de situatie thans was, wachtte hij er zich voor, onvoorzichtig te zijn.
Langer dan twee uur kon hij de onzekerheid niet verdragen. Toen belde hij op. Margie Lobbes zei echter dat Cora uitgegaan was, en aan haar stem bemerkte hij, dat ze liever niet veel sprak per telefoon. Toen ging hij, ten einde raad, naar zijn vriend, Dr. Vogel.
De magnetiseur luisterde met ongeveinsde belangstelling naar Waller’s mededeelingen.
— Maar dat is zéér interessant, dat is buitengewoon interessant, wierp hij er nu en dan tusschen door.
— En ik verzeker je, dat ’t diep treurig is, antwoordde Frits Waller op droevigen toon.
— Natuurlijk, natuurlijk, diep treurig, zeer juist aangemerkt, gaf de magnetiseur toe. Uit menschelijk oogpunt en vooral van het stand-
103