gehad hebben, dat we een boterham minder hebben moeten eten en er soms ook wel een kwaad woord is gevallen, maar eind goed, al goed, we hebben ons allemaal kranig gehouden en de overwinning best verdiend. Ik ben er van overtuigd dat we niet slechts de achting van onze patroons hebben veroverd, maar ook die van het publiek, van heel het Nederlandsch publiek. En — dan moet mij nog dit van het hart. Wanneer ik mij de gebeurtenissen weer eens voor den geest haal, dan wil het mij voorkomen dat andere stakingen misschien langer duurden, sommige korter, dat er door andere stakers misschien wel eens standvastiger of krijgshaftiger werd opgetreden dan door ons — maar — dat onze staking tóch de meest gezellige is geweest van alle, die er in jaren, in tientallen van jaren hier in het land werden gevoerd. In tien jaren van werken heb ik mij nog niet half zoo geamuseerd als in tien weken staken en het komt mij voor, dat hierin een vingerwijzing en een belofte ligt.
Voortaan moet er door toekomstige stakers naar worden gestreefd, hun strijd zoo veel als kan elk symptoontje van ernst te ontnemen en daarvoor de gezelligheid in de plaats te stellen. Dan zullen de stakingen in de naaste toekomst vacanties worden in plaats van tijden van ontberingen en zal men er lachend ingaan en er opgewekt en tevreden uit terug keeren.
In de naaste toekomst zie ik de stakers groote gezamenlijke wandelingen en boottochten organiseeren en pic-nics houden. Ik zie groote scharen jonge werklieden met de dochters van hun patroons uitgaan en pretmaken en jonge patroons de woningen posten van de werklieden, die er de aardigste dochtertjes op na houden.
Kunstenaars en andere mannen van aanzien richten 178