de melodie van het vrijheidslied, de vroolijke zaal in.
Even pakte het de voorste rijen. Men staakte het zinloos jubelen en hief de eerste regels aan:
Op mannen broeders, saam vereenigd Op burgers sluit u bij ons aan....
Maar al wat meer naar achter zat, liet zich niet meer verleiden, tot zoon ernstig gezang. Jongens en jonggezellen, vele oudere mannen, schreeuwden door elkaar, als om te demonstreeren dat de ernst nu van de baan moest zijn en vroolijkheid hoogtij vieren. Na eenig horten en stooten was het revolutie-lied dan ook verdrongen door de geliefde hymne van de, in den avond slampamperende, straatjeugd:
Me sain niet bang Me sain niet ba-ang Noch four die prinsemerai Binne me bang.
Na dit openingscouplet verdeelden zich de stemmen en formeerden zich in van elkaar onafhankelijke koren, die het geliefde lied elk voor zich verder zongen, al naar den trant van de verschillende stadsbuurten.
De Haarlemmerdijkgroep zong een soort Hindoe-Engelsch:
Joe spiek notting kwel in den morning.
Koed morning paiker me af.
Twei sente pain an me reit....
Four die larie-jo-oh.
176