— Meid wat doe je — ? Ajassus wat is dat voor ’n vent....
— Hi-hi — ik weet ’t niet — hi-hi-hi.... Ik lach me een stuip om ’m.
— Wat wil-ie dan.... ?
— Hij bedelt — maar minder dan een gulden neemt-ie niet aan, hi-hi-hi....
— Roep — de — ouwe — foddesak — eife--het
se d’r pisankie — al op, schreeuwde Nelis nu naar boven.
Eva keek verwonderd en gichelde het dan plotseling uit. Van louter pret liet ze haar natte boender op Nelis’ naar boven gericht gezicht vallen.
— Godferd.... sche straikplank, schreeuwde hij woedend.
— Stien hou ’m nog even vast — ik heb nog een half emmertje krijtwater, joelde de kamermeid.
Nelis verstond haar maar half maar, daar zijn vertrouwen in de menschen de laatste dagen heel wat had geleden, achtte hij het noodig een dreigenden blik naar het kamerkatje op te zenden. Dat was juist naar haar zin. In ongebreidelde joligheid tilde zij haar werkemmer buiten het raam en keerde hem om. De vette, witte vloeistof spatte naar beneden en morste Nelis’ gezicht en kleeren vol
Hij gaf een schreeuw van ergernis en sprong terug. Daarvan maakte Stien gebruik en sloeg de deur voor zijn neus dicht
— Stien, wat is dat toch voor ’n spectakel aan de deur — is er iemand? riep een welluidende stem van boven af.
— Ja mevrouw, riep Stien terug, trachtend haar lach te versmoren. Er was een bedelaar, maar ik heb gezegd dat we niet aan de deur geven.
— Anders niet?
—! bromde een zware stem na.
— Schorem — tuig —
98