bewonderaarster. Het vertellen bracht hen ook weer Nelis’ gevecht met de werklieden ernaast in herinnering en beiden schaterden het uit bij het memoreeren daarvan. Toch was Stien eenigszins bezorgd om die kans van een spoedig bezoek.
— Voor mijn part kan-ie gerust wel wegblijven, zei ze eindelijk.
— Woarom nou — weis nou niet sou mallouterig. Je lacht je aige gewoun een siekte om dien fent.
— Verbeeld je, moet-ie spectakel aan de deur maken.
Mijn mevrouw is thuis en mijnheer Hoog____
— Nou — spreik moar uit, lachte de bengel toen ze plotseling zweeg. Is de ouwe d’r — dan mot ik ’m eife sien —
— Zeg — / jongen, je haalt geen kapsies uit — alsjeblieft, schrok de meid. Ik gooi je netzoolief met huid en haar de deur uit.
— En mit m’n kwartje, netuurlijk. Nou — hou je moar gedainst — ik bin d'r niks benieuwd noa s'n suursmoel te sien. 't Sou me allein spaite — as-ie de lol kwam in de war schoppe —
Stien was weer gerustgesteld. Ze kon niet lang boos blijven op den bengel.
— Nou zoo gauw zullen ze zich niet met de deur bemoeien, denk ik. Als de baas d'er is, blijven ze wel een uurtje op haar kamer. Jezus — daar heb je ’m.
Inderdaad kwam Nelis op het huis aangeloopen, zig-zagsgewijs, als vreesde hij dat men op hem zou schieten. Zijn oog was gericht op het nieuwe werk, maar toch ging hij op zijn manier recht op de deur van mevrouw Laerden af.
— Hai kompt hier — hai kompt hier, juichte Nico. Stien — Stien — ik saik fast in me broek....
95