Dan kletterde, paardengetrappel tot hen door.
— Bereije klabakke — bereije klabakke — snerpte het luid.
Opgejaagd zocht de menigte nu een uitweg, voor de steigerende paarden.
— Daar heb je het — politie en justitie — in dienst van het — kapitaal — steunde de man met den bril, nog steeds zijn maag wrijvend van de napijn.
De schele hoorde hem en slingerde zijn vuist in zijn richting. De man bukte en deed den slag door een ander opvangen.
— Vooruit — vooruit, d’r op in, kommandeerde de bereden inspecteur.
De agenten menden hun paarden tegen de menigte in, die drong en zich opeen perste, om de aanraking van een paardepoot te ontgaan.
— Snai se de liese dour — schreeuwde een stem.
— Met de sabel, met de sabel, kommandeerde de inspecteur, die dat hoorde en voor het ergste vreesde.
Het leek een slachtpartij. De agenten bogen zich over den kop van hun paard en sloegen met het plat van hun sabel links en rechts, zonder medelijden. Mannen trokken messen, wierpen zich onverschrokken naar voren, doch moesten hun moed zwaar bekoopen. De agenten sloegen er op los, als waren zij een vijandelijke stad binnengerukt, waar binnen de orde moest worden hersteld.
De-poot en de-schele slaagden er in een agent van zijn paard te rukken. Het dier, zonder berijder te midden der tierende menigte, begon woest om zich heen te slaan om weg te rennen.
Het volk week uiteen hetgeen het paard ruimte gaf. Het sprong voorwaarts, deinsde terug en sprong weer.
48