Smul. Hij had de handen vol, met dronken-Nelis in toom te houden, die maar steeds wilde opstaan en het woord vragen. Eerst had hij gedacht dat Jan Cats hem stond te tergen, met zijn wondermooien naam en nu verbeeldde hij zich weer, dat de man van zijn „meisje” sprak en haar naam door 't slijk sleurde.
— Loat me goan Piet — loat me goan, worstelde hij tegen. Loat me goan — ik mot ’m een kopstout geife — een kleintje moar.
— Hou je bek dicht, jeneiferfat, grauwde Smul, of ik trap je op den grond en goa boufe op je stoan.
— Jai — jai ? smaalde Nelis.
— Wat — wat? Denk je dat ik sou’n dronke farke niet
boas kan--? Je bint me godsalme eiuwig nogal wat kei-
rel — laikt wel ’n waif — —.
— Dronke farke — — dronke farke —.
— Stilte daar nu — kunnen jelui je smoelen niet dicht houwen, als er iemand spreekt De voorzitter sprak meer speciaal tot Nelis.
— Woar sit dat dronke farke ? vroeg hij fluisterend aan Smul, woar sit-ie ?
— Welk farke?
— Stilte!
— Joa — dat vroag ik, riep Jan Cats met een aanloopje. We stoake moar roak, elke weik is d’r ein. Tien, twoalf, dertien....
— Feirtien, faiftien, sestien! riep Smul ongeduldig.
— en we schiete niet op. Mot dat zoo doorgoan ? De uit-
keiring is nooit veil geweist en wordt nou nog minder____
Luid gemor verhief zich. Mannen stonden van hun plaatsen op, wendden zich naar den spreker en schreeuwden dooréén.
16