Carolientje Nico omhelsde en zich tegelijk door hem een appel uit haar hand liet nemen. Toen had ze het meisje een preek toegediend en haar aangemaand, de knechten van mijnheer Hooglandt niet lastig te vallen.
Aan Stien en haar gezellige keuken dacht Nico, toen hij de zaal verliet, met het minnebriefje van dronken-Nelis in zijn zak en er zweefde een nog slechts flauw omlijnd denkbeeld in zijn hoofd om van dat vrijerijtje zoowel pleizier als profijt te trekken. Hij vond mevrouw Laerden nu niet zoon slecht postuur voor Nelis’ platonische liefde en verkneuterde zich bij de gedachte, hen samen gearmd door de Kalver-straat te zien wandelen. Alhoewel hij aan de mogelijkheid daarvan al heel weinig geloofde.
Zijn lijfwacht van jongens kon hij niet gebruiken. Eerstens, was er geen kwestie van, met zoon legertje Stien’s keuken binnen te vallen en dan koesterde hij al heel weinig voornemens, om eventueele profijten met zijn makkers te deelen. Om te beginnen, dacht hij het pakje sigaretten, dat hij voor Nelis' dubbeltje zou koopen, wel voor zich alleen noodig te hebben.
Nauwelijks op straat, zocht hij al ruzie met een meeloo-per, die hem niet aandorst en bij wijze van schadeloosstelling weer een zwakkeren makker met zijn oud jasje in de sneeuw duwde. De belangstelling werd algemeen en na een algemeen en vinnig gevecht zette Nico het op eenloopen zonder zich iets van de scheldwoorden aan te trekken, die hem werden nageslingerd.
Stien zag hem met onverholen verbazing het raamhekje openduwen en de keuken inkruipen.
— Zeg — stuk schandaal — wat kom jij hier doen ? riep ze, haars ondanks lachend om zijn potsierlijk gezicht.
4