blik te verbergen. Douwe hoestte twee keer, maar Joop zag niemand dan vrouw Smikkel.
— Je bent verkouden Douwe, zei hij terloops.
— Ik — ik, protesteerde deze verlegen. Hij kleurde geducht.
— Je neus is rood!
Hij protesteerde nu niet meer omdat hij voelde dat niet slechts zijn neus maar zijn heele gezicht vuurrood moest zijn. Joop’s verregaande bezorgdheid irriteerde hem. Vriendschap was goed en wel maar vriendschap die zich uit in overgroote oplettendheid, krijgt het karakter van plagerij. Wat moest Mientje wel van hem denken, vroeg hij zich af, nu Joop hem zoo stond te bakeren, of-ie zijn moeder was. Wie weet hoe laf ze hem vond. Ze keek nog steeds niet op.
— Je oogen tranen vreeselijk Douwe; kerel je moest onder de wol liggen. Wat u — vrouw Smikkel?
— Joa — mit ’n warreme kruik! beaamde deze moederlijk. Mientje keek haar even vluchtig aan en bukte dan weer het hoofd in haar boezelaar.
— Ja — je oogen knippen voortdurend, ging Joop onverstoord voort. Het beste zou zijn wat vrouw Smikkel zegt — maar dan eerst je buik flink insmeeren met vetkaars, dunkt u ook niet?
Mientje sloeg van schaamte haar schort over het hoofd en snelde naar de keuken. Douwe, doodverlegen, was innerlijk woedend op Joop dat-ie haar zoo beschaamd maakte. Hij zag haar schouders schokken, bepaald snikte ze. Ja — hij meende haar krijten te hooren.
— Hei — seg! riep vrouw Smikkel. Wat het die malle maid nou opeins — is se nou heilemoal fan lotje getikt?
— Ze kan niet verdragen dat Colijn zoo onbezonnen met zijn gezondheid spot.
164