Douwe aan te komen en met haar gerepeteerd, hoe ingetogen en zedig haar houding dan zou moeten zijn. Ze had er om gelachen en het hoofd geschud en ronduit te kennen gegeven dat ze „glad-onverschillig voor dien stumper" was, maar Joop was blijven aandringen. Men wist immers nooit hoe een stuivertje rollen kan.
Nu bedwong zij zich dan ook, veegde haar hand aan haar schort af en drukte zedig Joop's hand.
— Dag mijnheir Ranschoen! zei ze met lieve huishoudelijke stem en keek op haar aardappelen.
— Dag Mientja zei Joop, vaderlijk-bedaard, ik ben zoo vrij geweest een vriend mee te brengen.
— Dag mijnheir Colain, zei ze onverstoord enreikteDouwe de hand.
Deze stond als verstomd en twijfelde even. Was dat het spotzieke, luid-lachende blondje, dat hem er altijd zoo ongenadig tusschen nam, als hij met haar vader kwam koffiedrinken ? Wat een lief, voorbeeldig huishoudstertje was zij toch eigenlijk, zoo stil en knus als ze daar zat met een bakje aardappelen op haar schoot en een emmer water naast zich. En — „mijnheer” had ze hem genoemd, terwijl ze hem anders niet slechts voluit bij zijn naam noemde, maar er zelfs alle mogelijke variatiën op uitdacht en die naar zijn hoofd slingerde. Er moest een wonder zijn geschied dat van de onverschillige jongensmeid, zooals hij haar had gekend, een voortreffelijke jonge dame had gemaakt. Nu herinnerde hij zich elk woord van lof uit Joop’s mond en het scheen hem toe dat deze haar lang niet genoeg had geprezen.
— Dag juffrouw Mientje! zei hij bedeesd en drukte voor
zichtig het klamme, roode handje. Ik ben maar zoo vrij geweest ____
— Kom — kom — wat heb ik nou aan de hand, viel Joop, 160