— Laten we daar nou maar niet over donderen. Nou weet je waarom ik niet naar Smikkel ga. Ik weet dat-ie onderkruipt — omdat zijn wijf niet te houden was en omdat het den stumper aan alles ontbreekt. Vast in zijn schoenen stond-ie ook nooit. Maar als ik hem, nu ik dat weet — nog opzoek — dan ben ik logisch medeplichtig aan zijn verraad. Want, dan zou ik het in de vergadering moeten uitbrengen — en dat doe ik nooit
— Wat een rotzooi — zoo alles door elkaar — het heele soepie, mijmerde Douwe. Daar heb je nou die Frits Landers. Ik zou ’m nu toch mooi op zijn plaats kunnen zetten, als-ie weer wat op me te zeggen had, omdat ik modern ben.
— Ik raad je aan — dat na te laten. Eerstens ben je in spreken lang niet tegen hem opgewassen en tweedens is dan niemand meer in staat je uit de handen van f anatiekers als Smul en anderen te redden. De staking is nu in een stadium dat de geestdrift afzakt en de mannen eiken dag een nieuwen prikkel noodig hebben. Landers wou ze al tegen de modernen in het harnas jagen en het oude spelletje van verraad ophalen, maar ik heb het vooralsnog weten te voorkomen. Wees nou voorzichtig in je woorden en hou je timide — of kerel geloof me je bent niet te redden — niet van doodslag.
— Ze kunnen vuil doen — dat is zoo....
— En — ben je nu van gedachten veranderd ? Ik hoop van ja. Laten we naar de „kersepit” gaan.
— Nee — morgen, ik ga nou naar Smikkel, hield Douwe halsstarrig aan.
— Om wat te doen? lachte Joop.
— Wat te doen? Hij is toch zeker m’n maat. Ik ga ’m een gulden brengen — dien zal-ie nou wel kunnen gebruiken.
156